En plein public

En plein public

Praktijk en jurisprudentie bij openlijke geweldpleging tegen functionarissen met een publieke taak

Samenvatting

Tijdens de behandeling van de begroting Justitie en Veiligheid 2019 is door de Tweede Kamerleden Helder (PVV) en Van Oosten (VVD) gepleit voor het uitbreiden van het taakstrafverbod met alle geweldsfeiten tegen politieagenten en andere publieke functionarissen, inclusief poging tot, zodat geweldplegers niet langer een taakstraf of een geldboete opgelegd kunnen krijgen. In een motie van de Kamerleden Helder, Van Oosten en Van Dam is de regering vervolgens opgeroepen over te gaan tot deze uitbreiding van het taakstrafverbod. Naar aanleiding hiervan hebben de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming toegezegd nogmaals te zullen nagaan of het Wetboek van Strafrecht kan worden aangepast wat betreft het opleggen van taakstraffen bij geweld tegen functionarissen met een publieke taak (Handelingen Tweede Kamer, Vergaderjaar 2018-2019, resp. nr. 25, item 29 en nr. 2, items 7, 10 en 14).
In hun brief d.d. 11 maart 2019 informeren de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming de Tweede Kamer dat met voorrang een wetsvoorstel in voorbereiding wordt genomen, dat het taakstrafverbod specifiek voor functionarissen met een publieke taak uitbreidt met de artikelen 300 t/m 303 Sr (mishandeling) zonder dat letsel een vereiste is. Artikel 141, eerste lid, Sr (openlijke geweldpleging) is op dit moment niet opgenomen in het wetsvoorstel. De gedachte er achter is nl. dat als er geen sprake is van letsel, een taakstraf in bepaalde omstandigheden een gepaste straf kan zijn bij een veroordeling wegens openlijke geweldpleging. Tegelijkertijd hebben zij aangegeven dat het WODC zou worden gevraagd de jurisprudentie en praktijk bij openlijke geweldpleging tegen functionarissen met een publieke taak te onderzoeken om te bepalen of ontwikkelingen in de samenleving en ongewenste of onvoorziene uitwerking van wetsartikelen aanleiding geven tot een andere afweging. Dit onderzoek komt hieraan tegemoet.
Het onderzoek dient zich te richten op de vraag wat het karakter is van incidenten die worden vervolgd op grond van art 141, eerste lid, Sr (openlijke geweldpleging). In kaart moet worden gebracht wat de ernst van het geweld is waarvoor verdachten op grond van dit artikel worden vervolgd, in welk deel van de gevallen sprake was van letsel en in welk deel niet, en in hoeverre het gepleegde geweld aan individuele daders wordt toegerekend. Daarnaast dient het onderzoek inzicht te geven in de manier waarop deze zaken worden afgedaan. Het gaat specifiek om openlijke geweldpleging tegen functionarissen die zich niet aan de situatie kunnen onttrekken door terug te treden. Hierbij betreft het primair aan politieagenten en hulpverleners. Daarnaast dient er specifieke aandacht te worden besteed aan zaken waarin geen sprake was van letsel. Deze zaken vallen op dit moment niet onder het taakstrafverbod en de resultaten van dit onderzoek dienen als basis voor de afweging of het al dan niet proportioneel is om dit soort zaken onder het taakstrafverbod te brengen.

Inhoudsopgave

Voorwoord

  1. Inleiding, opbouw en juridische achtergrond
  2. Juridisch kader
  3. Empirische bevindingen
  4. Conclusies

Samenvatting
Summary
Bijlage

Publicatiegegevens

Auteur(s):
Nan, J.S., Grimmelikhuijzen, D.G.J., Vis, C.L. van der, Mevis, P.A.M. (medew.), Mascini, P. (medew.), Boer, V.K. (medew.)
Organisatie(s):
Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law, WODC
Plaats uitgave:
Rotterdam
Uitgever:
Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law
Jaar van uitgave:
2020
Type rapport:
Eindrapport

Bestelinformatie

Adres:
Erasmus Universiteit Rotterdam - School of Law
Telefoon:
010 4081547
Fax:
010 5432911
Website:
www.esl.eur.nl

Onderzoekgegevens

Werktitel:
Onderzoek Taakstrafverbod
Projectnummer:
3104
Operationele status:
Afgerond