Evaluatie Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V)

Evaluatie Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V)

Samenvatting

Op 1 februari 2005 trad de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (wet DNA-V) in werking. De Wet DNA-V verplicht veroordeelden van een delict waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en een (voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf, maatregel of een taakstraf is opgelegd, tot het afstaan van celmateriaal. Uit het afgenomen celmateriaal wordt een DNA-profiel opgemaakt dat in de Nederlandse databank voor strafzaken (bij het NFI) wordt opgenomen. Door deze profielen te vergelijken met profielen die aanwezig zijn in de databank of in de toekomst worden toegevoegd, kan een match ontstaan die van belang kan zijn voor opsporing, vervolging en bewijsvoering. Tevens gaat de wetgever ervan uit dat de verhoogde pakkans een afschrikwekkende werking heeft t.o.v. de verdachten wier DNA profiel in de databank is opgeslagen.
In 2012 voerde de Universiteit Leiden onderzoek uit naar de eerste resultaten van de wet (M.D. Taverne e.a., DNA in de databank: de moeite waard?, Universiteit Leiden, 2013). Directe aanleiding voor dit evaluatieonderzoek is de toezegging van de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie in zijn brief aan de Tweede Kamer van 29 november 2016 om de uitvoering van de Wet DNA-V in 2018 te evalueren (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2016/17, 29279, nr. 357). Het gaat daarbij in het bijzonder om de veranderingen in het werkproces van het afnemen van celmateriaal van veroordeelden n.a.v. het rapport van de Commissie Hoekstra over de zaak Bart van U. uit 2015. De mogelijkheden voor verbetering van de afname van celmateriaal bij veroordeelden zijn een belangrijk punt in deze evaluatie.

Onderzoekgegevens

Werktitel:
Evaluatie Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V)
Organisatie(s):
WODC, Ateno
Projectnummer:
2938
Operationele status:
Lopend