Nut en risico van persoonsregistratie

Nut en risico van persoonsregistratie

Samenvatting

De voorgenomen volkstelling in 1971 bracht Nederland in rep en roer. Velen meenden dat burgers hun medewerking aan een dergelijk naar totalitarisme zwemend initiatief behoorden te onthouden. Big brother-angsten zijn sindsdien danig verminderd. Niettemin is persoonsregistratie nog altijd een gevoelig onderwerp waarover geen maatschappelijke consensus bestaat. Met name de koppeling van bestanden roept vraagtekens op. Begrijpelijk want koppeling kan immers leiden tot een ander gebruik van gegevens dan waarvoor ze bestemd zijn. De zorg om de persoonlijke levenssfeer heeft in de Nederlandse politiek altijd op grote instemming kunnen rekenen. Door de toenemende individualisering in wet- en regelgeving hebben overheidsinstanties echter steeds meer behoefte aan gegevensuitwisseling; ze worden daardoor steeds afhankelijker van externe administraties. Bovendien roept het `gehamer' op privacy bij veel beleidmakers irritatie op. Doelmatig bestuur en bestrijding van fraude (valse naam, vals adres, inschrijven in meerdere gemeenten) worden erdoor gehinderd. Er is meer informatie over clienten nodig en daarbij is soms opening van zaken gewenst. De vraag is natuurlijk of dat geoorloofd is. Een andere vraag is of koppeling van bestanden wel het beoogde nut heeft. Die vragen staan in dit nummer van Justitiele verkenningen centraal.

Inhoudsopgave

Voorwoord 5

  1. B. Crouwers en P.C. Ippel - Gegeven het individu; het belang van de Registratiekamer
  2. A. Mosshammer en E. Houtepen - Over de risico's van persoonsregistratie 22
  3. L. de la Combe en J. M. Wesseldijk - High tech, low touch; koppeling bij de bestrijding van sociale zekerheidsfraude 35
  4. J.J.M. den Exter - Etnische registratie in het kader van voorkeursbeleid 50
  5. A. S. Junge - Centrale persoonsregistratie in Denemarken 65
  6. J. Oudhof - Registratie als basis voor statistische informatie 84

Summaries 95

Publicatiegegevens

Organisatie(s):
WODC
Jaar van uitgave:
1994
Reeks:
Justitiƫle verkenningen 1994/05